Het zijn maar Duitsers

‘Wanneer jullie opduiken uit de vloed

Waarin wij ten onder zijn gegaan

Denk dan

Als jullie over onze zwakheden spreken

Ook aan de duistere tijd

Waar jullie aan ontkomen zijn’

 

BERTOLD BRECHT, ‘Aan hen die later werden geboren’

 

Het Deutsche Soldatenfriedhof in Ysselsteyn kende ik niet totdat ik er vorig jaar, door een wegomlegging,  toevallig langs kwam. Uit nieuwsgierigheid zet ik mijn auto op de verder lege parkeerplaats om vervolgens een wandeling over de begraafplaats te maken. Mijn eerste indruk is die van een plek die rust en vrede uitstraalt. Zand erover lijkt ze te zeggen. De oorlog heeft hier zijn einde gevonden. Maar toch, terwijl ik rondloop, voelt het beklemmend. Een taboe dringt zich aan mij op: “de begraafplaats van de vijand bezoeken, zoiets doe je toch niet.”

De Tweede Wereldoorlog heeft Limburg een grote erfenis toebedeeld: bijna 40.000 graven van gesneuvelde militairen: 8.301 Amerikanen en 31.598 Duitsers. Mijn geboortedorp, Haelen, ligt precies tussen twee militaire begraafplaatsen in. De begraafplaats van Amerikaanse bevrijders en helden in Margraten ken ik al sinds mijn jeugd. We gingen er met school naartoe, ik hoorde veel verhalen over de heldendaden van de mannen en jongens die daar lagen, en ik wist dat mensen uit de buurt in de rij staan om voor de graven van deze soldaten te zorgen. Dat er even verderop in Limburg bijna vier keer zoveel Duitse militairen begraven liggen, dat wist ik niet eens.

Een wat opdringerige tuinman komt op me af en vraagt welk graf ik zoek. Ik heb geen idee wat of wie ik hier zoek. Tot mijn oog valt op een steen met de naam Bernardus Hölscher. Mijn naam! Toeval? Ik herinner me ineens dat ik vroeger wel eens gepest werd om mijn Duitse achternaam en dat ze me soms uitscholden voor smerige Pruus , of nog erger, ‘rotte Nazi’. Vreselijk vond ik dat. In mijn wereldbeeld als kind bestonden er enkel ‘goede’ Amerikanen en de ‘slechte’ Duitsers. En trouwens, mijn grootvader werd al vóór de Eerste Wereldoorlog geboren in de Haarlemmermeer…

Al lezend dwaal ik over deze grote open plek in een bos midden in de Peel. Zoveel dode Duitsers, zoveel jonge Duitsers.  Tienduizenden kruisen met namen, rangen en datums of enkel de tekst Ein Deutscher Soldat. Hun levens gegeven voor de dwaze ideologie van een tiran. Geloofden ze zelf ook in die ideologie of werden ze domweg een oorlog ingejaagd die ze zelf helemaal niet wilden? Hier en daar liggen verse bloemen op de graven, knuffelbeesten, droogboeketten, lijstjes met een foto en werkjes van strijkkraaltje die onmiskenbaar gemaakt zijn door kinderhanden. Net als op een gewone begraafplaats. Maar wie zijn de bezoekers van deze graven? Wie rouwt er anno 2015 nog om de mannen en vrouwen die vochten aan de verkeerde kant?

Ruim zeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog lijkt het alsof de tijd veel heeft veranderd. Haatgevoelens van Nederlanders jegens Duitsers zijn voor een groot deel verdwenen en mijn Duitse achternaam wordt al jaren niet meer in verband gebracht met de oorlog. Maar toch zijn er ieder jaar rond 4 mei  grote discussies rond het samen met Duitsers herdenken. Om maar te zwijgen over het rouwen om en herdenken van Duitse soldaten. Dat dat nog steeds een heikel thema is, blijkt ook meteen als ik het gastenboek van Ysselsteyn opensla: Deutsche Soldaten, Keiner weint um euch! Keiner! (Duitse soldaten, niemand huilt om jullie, niemand!). Wat is dit? Een noodkreet? Een constatering? Een verwensing? Zeventig jaar na de oorlog. Dit kan toch niet waar zijn. De tranen springen in mijn ogen bij het lezen van deze zin.

Ik besluit de begraafplaats regelmatig te gaan bezoeken om te zien wie de andere bezoekers zijn. Ik leer de Duitse beheerder kennen en Nederlanders die er met hun volle verstand voor hebben gekozen om graven van Duitse soldaten verzorgen. Ik kom er achter dat er in de loop der jaren dikwijls een hechte band is ontstaan tussen de Nederlandse grafverzorgers en de Duitse nabestaanden. Wie zijn die Nederlanders die zich bekommeren om de treurige erfenis van de voormalige vijand? Waarom doen ze dat?

En ik leer vooral veel Duitse mannen en vrouwen kennen, jong en oud. De één vervuld van trots, de ander vol met vragen en twijfels en sommigen nog altijd ziek van verdriet. Ze vertellen mij verhalen over de oorlog, over familietrauma’s, zoektochten, schuldgevoel… En de verwerking daarvan. Ik besef dat ik,net als veel Nederlanders, heel weinig weet over de emoties, de beleving van de Duitse nabestaanden. De oorlog werd verloren en in Duitsland werden vreselijke verliezen geleden, families verwoest, steden geruïneerd. Bovendien werd het land in tweeën gedeeld waarbij om het oostelijke deel een muur werd gebouwd. De emoties en trauma’s waarmee overlevenden en nabestaanden kampen zijn nog altijd groot. Ook na zeventig jaar lijkt het nog steeds moeilijk om als nabestaande van een ‘dader’ door het leven te gaan.

Voor mij zijn het nieuwe verhalen die mij aan het denken zetten over mijn eigen aannames, mijn eigen oordelen. En ze lijken me actueler dan ooit in een wereld waarin begrip voor anderen en ruimte voor nuance soms steeds meer op de achtergrond lijken te raken.

In Het zijn maar Duitsers wil ik deze bijzondere en pijnlijke verhalen met de wereld delen.  De eerste generatie nabestaanden valt langzaam maar zeker weg en daarmee ook hun verhalen. Het is daarom zaak dat deze film snel wordt gemaakt.